Strook met fotocollage Klenkerhof
Zie deze pagina
Een van de slaapkamers Een van de slaapkamers Een van de slaapkamers Zitje

Havezate De Klencke

Het huidige huis de Klencke met zijn achttiende-eeuwse Louis XV-voorkomen is niet het eerste huis op dat op deze plek stond. Rechtsonder in de voorgevel bevindt zich een gevelsteen met het jaartal 1670, duidend op een voorgaand huis. In 1781 werd in een koopadvententie voor het huis melding gemaakt van het feit dat de Klencke "voor wenige jaren nieuw, zeer hegt getimmerd" was. Het huidige huis kan het resultaat zijn van verbouwing van een veel ouder huis, maar een andere mogelijkheid is dat het zelfs geheel nieuw werd opgetrokken.

Het ontstaan van het huis is in nevelen gehuld, evenals wie de eerste bewoners waren. Een mogelijk eerste vermelding van het landgoed is in 1482 waarin sprake is van het goed "Klempinge". Vanaf de vroege dertiende eeuw komt de naam Klencke echter ook al als eigennaam voor, maar is niet zeker of deze lieden hier ook daadwerkelijk woonachtig waren. In 1782 werd Haro Caspar baron van In- en Kniphuisen eigenaar, die echter veel weerstand ondervond. Toen de schoolmeester van Oosterhesselen in 1786 overleed, maakte Haro Caspar gebruik van het recht om een nieuwe schoolmeester annex koster te benoemen. Zijn keuze viel op de uit Westerbork afkomstige Remmelt Jans Bartels. Hij negeerde hiermee het advies van de uit het naburige Zwinderen afkomstige gedeputeerde T. Kymmell. Deze Had de benoeming van Bartels ten sterkste afgeraden, omdat deze een "allernaarste zanger" was en er van zijn catechisatie niet veel te verwachten viel. Kymmell bracht de zaak voor de rechter en werd in het gelijk gesteld en het eigengereid optreden van van In- en Kniphuisen werd veroordeeld.

Vanwaar nu deze tegenwerking? Waarschijnlijk hadden de Drentse aanzienlijke families grote problemen met de schoonzoon van Haro Caspar, die het beheer over de havezate voerde: Derk van der Wijck, de centrale figuur in de Drentse patriotistische beweging. De gevestigde orde bezag met argusogen de inspanning die de "volksbroeder" Van der Wijck ondernam om hun positie te ondermijnen. Na de Pruisische inval in 1787 en het herstel van de macht van de stadhouder en zijn aanhangers werd besloten Van der Wijck als "volksbroeder" crimineel te vervolgen; dit resulteerde in diens "eeuwige" verbanning uit de provincie. Na de Franse inval in 1795 kon Van der Wijck terugkeren in Oosterhesselen. Tot zijn dood in 1847 bleef hij op de Klencke wonen. Een politieke carrière sreefde hij niet meer na. Van der Wijck hield het bij zijn eigenlijke professie, de rechtspraak. Na de dood van Derk bleef de Klencke in de familie tot in 1891 zijn nazaat Elisabeth Jacoba het huis verliet. De Klencke werd daarna verhuurd, zowel aan gezinnen als aan allerlei instellingen. Toen Elisabeth Jacoba Goddard-Van der Wijck in 1961 overleed, vermaakte ze de Klencke aan de Vereniging Natuurmonumenten. In 1978 werd begonnen met de restauratie van het inmiddels aardig vervallen huis. Na de restauratie werd het verhuurd aan particulieren. Het omringende landgoed kent een grote landschappelijke verscheidenheid, waarin grasland, bossen, heide, en esgronden elkaar afwisselen.